Podia moeten niet bang zijn voor bezoekersThis is a featured page

Volgens onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau is internet de belangrijkste informatiebron voor culturele activiteiten. Maar culturele instellingen weten niet hoe ze moeten communiceren. Bezoekers missen daardoor leuke optredens en de instellingen missen publiek. De communicatie verloopt op autoritaire wijze via traditionele media. In plaats van te wedden op oude paarden, kunnen de instellingen zich beter richten op nieuwe media.

Op haar website geeft Chicago Symphony Orchestra de muziekervaring van de bezoeker vorm met gedetailleerde informatie over klassieke muziek. Hoeveel violen heeft een orkest, wat doet een dirigent en wat doet een concertmeester? Daarnaast geeft de site tips over wat te dragen, wanneer te kuchen en wanneer te klappen. Vragen over glissandi en hoofdtelefoons voor doven worden netjes beantwoord. Voor eventuele extra informatie kan de bezoeker het orkest mailen. Binnen een dag volgt antwoord.

CSO vraagt bijna bij elke muisklik om een donatie, want het orkest is afhankelijk van private financiering. Bij Nederlandse culturele instellingen is de belastingbetaler de hoofdfinancier. Wie denkt dat zij het publiek verfrissend en enthousiast betrekken, komt bedrogen uit.

Internet is de belangrijkste informatiebron voor theaters en concerten. Dat blijkt uit het rapport De virtuele cultuurbezoeker van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Maar culturele organisaties communiceren nog autoritair. Hun sites zijn digitale flyers met verdwaalde linkjes. Ze communiceren op een bulkmanier. Er wordt louter tekstueel en in één richting gecommuniceerd. Nergens een link naar een filmpje op YouTube. Nergens een mogelijkheid tot directe interactie met het publiek. Dit gebeurt enkel via omwegen. De bezoeker moet het verhaal maar voor waar aannemen dat elk optreden geweldig is.

Culturele instellingen leggen bestuurlijke verantwoording af met de richtlijnen van cultural governance en organiseren educatieve projecten om een nieuw publiek te betrekken. Maar de optredende artiesten, waar het om draait, worden ondermaats gecommuniceerd. De podia doen wel aan community art, maar niet aan community building. Daarmee plaatsen zij de kunst buiten het publiek debat.

Liefhebbers van obscure artiesten communiceren met elkaar via nieuwsgroepen, het sociale netwerk Last.fm houdt precies bij welke Nederlanders welke muziek luisteren en er zijn talloze blogs van liefhebbers, die het culturele leven nauwgezet volgen. Die mensen moet je betrekken. Niet in de vorm van persberichten, van zender naar ontvanger, maar als liefhebbers onder elkaar. Als het op internet leeft dan sijpelt het vanzelf wel door.

Wie wordt de Arctic Monkeys van de Nederlandse podia? Wie betrekt bezoekers zo dat ze langzaam vrienden worden? Want de gebruiker is aan de macht. Als de informatie hem bevalt vertelt hij het door, net als bij een ouderwetse dorpspomp.

Podia moeten investeren in nieuwe media. Anders verliest de culturele sector het gevecht op de vrijetijdsmarkt. Een veel gehoord excuus is het gebrek aan tijd of geld. Maar hoe kan Chicago Symphony Orchestra, dat geen verantwoording hoeft af te leggen aan belastingbetalers, er dan wel in investeren? Misschien is het een kwestie van prioriteiten, maar bovenal is het een kwestie van instelling. De grens tussen het publieke en het private verdwijnt, waardoor instellingen op een persoonlijkere en meer journalistieke manier moeten communiceren. Dat vraagt om een mentaliteitsomslag die de interne machtsverhoudingen bedreigt.

Door de nieuwe media vervaagt het onderscheid tussen professional en amateur en tussen podium en medium. De traditionele functies van instellingen veranderen. Voorbeeld zijn de partnerships die festivals aangaan met media. In ruil voor gegarandeerde zichtbaarheid levert de ander gegarandeerde zichtbaarheid. Ook organiseren media steeds vaker hun eigen evenementen, zoals Libelle met haar zomerdagen. Hier krijgt het blad informatie over haar doelgroep.

In de industriële tijd was arbeid de toegevoegde waarde van een product. In de dienstentijd werd dat service. In de beleveniseconomie draait het om de vormgeving en communicatie van een ervaring. Die ervaring ontbreekt in de plichtsmatige communicatie van culturele instellingen. Van welke muziek houdt de directeur van Het Concertgebouw? Waar wordt die mooie bardame van De Effenaar opgewonden van? Op de sites vinden we enkel keurige bio’s, opgesteld in een masculiene feitentaal. Nergens is een greintje enthousiasme te vinden.

In Nederland vinden dagelijks meerdere prachtige optredens plaats. Internet biedt eenzelfde overvloed aan informatie. Door de bomen ziet de consument het bos niet meer. Daardoor is er behoefte aan een gids. Dit is een functie voor culturele instellingen. Zij moeten eigentijdser communiceren en niet bang zijn voor hun bezoekers. Ze moeten zich tonen als een eigenzinnige, enthousiaste en vooral benaderbare liefhebber.


Posted Anonymously Latest page update: made by Anonymous , Dec 15 2008, 5:54 AM EST (about this update About This Update Posted Anonymously Edited anonymously

716 words added

view changes

- complete history)
More Info: links to this page

Anonymous  (Get credit for your thread)


There are no threads for this page.  Be the first to start a new thread.

Related Content

  (what's this?Related ContentThanks to keyword tags, links to related pages and threads are added to the bottom of your pages. Up to 15 links are shown, determined by matching tags and by how recently the content was updated; keeping the most current at the top. Share your feedback on Wetpaint Central.)